Tweedemonitor / Kamervraag / Antwoord op vragen van het lid Wörsdörfer over het wetgevingsoverleg Jeugd van 23 november 2020



Antwoord op vragen van het lid Wörsdörfer over het wetgevingsoverleg Jeugd van 23 november 2020

Keywords:
Zaaknummer: 2021D01986

AH 1351

2020Z23327

Antwoord van staatssecretaris Blokhuis (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de minister voor Rechtsbescherming (ontvangen 15 januari 2021)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020-2021, nr. 1179

Vraag 1.
Herinnert u zich mijn vraag tijdens het Wetgevingsoverleg Jeugd van maandag 23 november over de signalen dat het coronavirus wordt aangegrepen om omgangsregelingen te fnuiken?

Antwoord vraag 1.
Ja.

Vraag 2.
Herkent u deze signalen? Zo nee, bent u bereid uw oor te luister te leggen bij belanghebbenden om dit te toetsen? Zo ja, bent u dan met mij van mening dat dat zeer onwenselijk is en zelfs schadelijk kan zijn, voor zowel kind als ouder die de omgang geweigerd ziet? Van hoeveel signalen bent u op de hoogte?

Antwoord vraag 2.
Het uitgangspunt is en blijft dat omgang tussen kind en ouder, ook ten tijde van de coronamaatregelen, doorgang vindt.

Ik heb mogelijke signalen over het niet nakomen van omgangsregelingen binnen de stuurgroep Zorg voor Jeugd en Corona besproken met belanghebbenden zoals zorgaanbieders, professionals en jongeren. De partijen binnen de stuurgroep hebben bij mij aangegeven dat ze enkele signalen hebben ontvangen, met name tijdens de eerste golf. Ik ben het met u eens dat kinderen en ouders elkaar moeten kunnen zien en ik onderzoek binnengekomen signalen daarom nader met de betrokken partijen.

Vraag 3.
Deelt u de mening dat het coronavirus geen reden mag zijn dat ouders en kinderen elkaar niet meer kunnen zien tenzij iemand daadwerkelijk corona heeft? Zo niet, kunt u dan de situaties schetsen waarin het coronavirus ervoor kan zorgen dat ouders en kinderen elkaar niet zien?

Antwoord vraag 3.
Ja, ik deel deze mening. Het uitgangspunt is dat omgang tussen kind en ouder doorgang vindt, tenzij één van de betrokkenen ziekteverschijnselen heeft (kinderen van 0 tot en met 12 jaar met verkoudheidsklachten zonder koorts en/of benauwdheid uitgesloten). Dit standpunt is ook per brief met uw Kamer gedeeld.[1]

Kinderen van gescheiden ouders die niet in één huis wonen, kunnen er samen met ouders voor kiezen om het kind tot de huishoudens van beide ouders te rekenen. Als daartoe besloten wordt, dan hoeven ouders en kinderen geen anderhalve meter afstand van elkaar te houden (zie ook: https://www.nji.nl/nl/coronavirus/Ouders/Bijzondere-situaties/Omgangsregeling-gescheiden-ouders-voor-ouders).
Wanneer wegens ziekteverschijnselen de normale omgang niet plaats kan vinden vragen we betrokken ouders zoveel mogelijk alternatieven in te zetten, zoals videobellen.

Ook voor kinderen die in het kader van een jeugdhulptraject elders wonen (pleeggezin, gezinshuis, etc.) geldt dat zij hun ouders moeten kunnen blijven zien. Het uitgangspunt voor de zorg is dat alle zorg, hulp en ondersteuning zoveel mogelijk door moet gaan. Dit betekent dat ook de bezoekregelingen, ondanks de geldende maatregelen, zoveel mogelijk in stand moeten blijven. Alle maatregelen die daarbij in acht moeten worden genomen en afwegingen die moeten worden gemaakt staan beschreven op de website van het NJi (zie: https://www.nji.nl/nl/coronavirus/Professionals/Omgang-en-bezoek-in-speciale-situaties-bij-het-coronavirus). Ook hier geldt dat betrokkenen zoveel mogelijk alternatieven, zoals videobellen, gebruiken wanneer wegens ziekteverschijnselen de normale bezoekregeling niet door kan gaan.

Vraag 4.
Op welke wijze worden de richtlijnen over omgang tijdens corona van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) uitgedragen onder zorgverleners, jeugdbeschermers en ook politie? Verdient dit extra inspanningen?

Antwoord vraag 4.
Het NJi heeft voor ouders, kinderen, jongeren, professionals en gemeenten alle informatie en richtlijnen over (het omgaan met) de maatregelen tegen verspreiding van het coronavirus gebundeld op: https://www.nji.nl/coronavirus. Deze richtlijnen zijn samen met betrokken aanbieders en professionals opgesteld. De branches van aanbieders brengen deze richtlijnen actief onder de aandacht bij hun leden. Betrokken professionals zoals jeugdhulpverleners, jeugdbeschermers, wijkteams, etc. proberen dit zo goed mogelijk te implementeren in hun dagelijks werk.

Vraag 5.
Bent u bereid te bezien of er nog andere kanalen ingezet zouden moeten worden om de genoemde NJi-richtlijnen onder de aandacht te brengen?

Antwoord vraag 5.
Zie antwoord vraag 4. Ik ben van mening dat de richtlijnen momenteel voldoende onder de aandacht worden gebracht van de betrokken professionals.

Vraag 6.
Welke mogelijkheden heeft een ouder die de omgangsregeling op oneigenlijke gronden beperkt ziet om deze toch af te dwingen?

Antwoord vraag 6.
Als ouders uit elkaar gaan moeten zij een ouderschapsplan opstellen, waarin ook afspraken omtrent omgang worden vastgelegd. De mediator, advocaat of hulpverlener die bij de scheiding betrokken is, zal ouders hierop wijzen. Als een ouder zich niet houdt aan de gemaakte afspraken, kan de andere ouder de hulp van de mediator, advocaat of hulpverlener inschakelen.


Indien nodig kan door een ouder ook nog de gang naar de rechter worden gemaakt om de omgangsregeling af te dwingen. In het onderzoek van het WODC uit 2019 ‘Naleving van contact/omgangsafspraken na scheiding: een rechtsvergelijkend en sociaalwetenschappelijk perspectief’[2] staat dat er een palet aan maatregelen en instrumenten is dat ingezet kan worden bij het niet naleven van afspraken over de omgang. Er zijn in de eerste plaats civielrechtelijke mogelijkheden, zoals omgangsbemiddeling en omgangsbegeleiding, de inzet van een bijzondere curator, gezagswijziging, vermindering of ontzegging van partner- of kinderalimentatie of de inzet van een dwangsom. Indien omgangsregelingen bewust worden gedwarsboomd, is optreden via het strafrecht aan de orde. Vervolging is mogelijk als het Openbaar Ministerie in een specifieke zaak tot de conclusie komt dat een minderjarige opzettelijk is onttrokken aan het wettig gezag of aan het over die minderjarige uitgeoefende toezicht (artikel 279 Wetboek van Strafrecht).

[1] Kamerstuk 25 295, nr. 219

[2]https://www.wodc.nl/binaries/2907_Volledige_Tekst_tcm28-371962.pdf

Antwoord op

Het wetgevingsoverleg Jeugd van 23 november 2020. (1 December 2020)
Reactietijd: 45 dagen

Indiener

Paul Blokhuis (CU)


Gericht

Martin Wörsdörfer (VVD)


Access ( 18853 )

Publicatiedatum
15 januari 2021




Gerelateerd

© 2017-2021 Tweedemonitor

Contact: Info [at] tweedemonitor.nl