Tweedemonitor / Kamervraag / Antwoord op vragen van de leden Von Martels en Peters over het bericht 'Samenwerking bij verwijderen asbest loopt vast, 'overheid moet ingrijpen''



Antwoord op vragen van de leden Von Martels en Peters over het bericht 'Samenwerking bij verwijderen asbest loopt vast, 'overheid moet ingrijpen''

Keywords:
Zaaknummer: 2020D23836

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2

Vergaderjaar 2019–2020

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

3140

Vragen van de leden Von Martels en Peters (beiden CDA) aan de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Samenwerking bij verwijderen asbest loopt vast, «overheid moet ingrijpen»» (ingezonden 20 mei 2020).

Antwoord van Staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 15 juni 2020).

Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Samenwerking bij verwijderen asbest loopt vast, «overheid moet ingrijpen»»1 en het onderzoeksrapport «Gevangen door belangen»2?

Antwoord 1
Ik ben bekend met het essay «Het Asbeststelsel; Gevangen door belangen?» en het daarop gebaseerde artikel in de Volkskrant.

Vraag 2
Wat is uw reactie op de kritiek van hoofdonderzoeker Frissen op Ascert en de «verziekte verhoudingen» binnen Ascert? Kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de brief van 16 december 2019 «stand van zaken uitvoer verbete- ringen functioneren asbeststelsel»?3

Antwoord 2
Voor een algemene reactie op het rapport van De Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) verwijs ik u naar mijn reactie in bijgevoegde brief. Ik herken het beeld niet dat de verhoudingen binnen Ascert verziekt zouden zijn. In mijn brief van 16 december jl.4 heb ik aangegeven dat Ascert, in uitvoering van de beleidsreactie asbest5, haar interne structuur opnieuw tegen het licht heeft gehouden om tot een gebalanceerde vertegenwoordiging tussen opdrachtgevers, opdrachtnemers en onafhankelijke instituten te komen. Hiertoe zijn de statuten van Ascert aangepast en daarmee de samenstelling van de verschillende gremia die een rol spelen bij de totstand- koming van de certificatieschema’s asbest. Hiermee is de vertegenwoordiging meer in balans en zijn besluitvormingsprocessen voor iedereen helder, evenals de rollen en verantwoordelijkheden.

Vraag 3
Hoe gaat u de innovatie binnen de asbestsector stimuleren, iets wat niet genoeg gebeurt volgens Frissen? Hoe verhoudt zich deze conclusie van het onderzoek van Frissen tot de aangenomen motie van het lid Von Martels6 die de regering verzoekt innovaties in de asbestsector voortvarend op te pakken? En hoe verhoudt zich deze conclusie van het onderzoek van Frissen tot de aangenomen motie van de leden Stoffer en Von Martels7?

Antwoord 3
In de voornoemde beleidsreactie heb ik een achttal lijnen geschetst langs welke ik inzet op stelselverbeteringen. De inzet op innovatie is daar één van. Deze maand is het nieuwe, onafhankelijke loket voor het indienen van innovatieve werkwijzen geopend: het Validatie- en Innovatiepunt (VIP). Hierover bent u geïnformeerd met de Kamerbrief van 2 juni jl.8 In de Kamerbrief van 16 december 2019 ben ik ingegaan op de motie Von Martels, die verzocht om een overzicht van reeds goedgekeurde innovaties voor het eind van 20199. Middels dezelfde brief heb ik u ook geïnformeerd over de aangehouden motie Stoffer en Von Martels10. Ik heb aangegeven dat, hoewel ik de motie zoals die luidde, binnen het huidige bestel niet kan uitvoeren, mij wel kan vinden in het doel: zorgen dat innovatieve ideeën sneller beoordeeld kunnen worden, en dat nieuwe werkwijzen sneller op de markt kunnen komen. Daarvoor is het VIP opgericht.

Vraag 4
Kunt u een update geven over de stand van zaken betreffende de invoering van innovaties in de asbestsector, conform motie Von Martels?11

Antwoord 4
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 aangegeven, heb ik in de Kamerbrief van 16 december jl. een overzicht gegeven van de tot dan toe goedgekeurde innovaties in 2019. De motie beschouw ik daarmee als afgedaan. Sindsdien heeft de beoordelingscommissie SCi 547 aanvullend daarop nog een tweetal innovaties goedgekeurd, namelijk een innovatieve werkwijze voor het verwijderen van een asbesthoudende bitumencoating bij gasbuizen en een methode voor de verwijdering van asbesthoudende pakkingen waarin hogere percentages chrysotiel zijn verwerkt. In de Kamerbrief van 2 juni jl.12 heb ik u gemeld dat innovaties vanaf dan bij het VIP kunnen worden ingediend. Het VIP neemt de beoordeling van nieuwe aanvragen over innovatieve werkwij- zen op zich.

Vraag 5
Wat vindt u van de oplossingen die hoofdonderzoeker Frissen voorstelt, dat wil zeggen dat u zelf weer de normen moet gaan stellen of een onafhanke- lijke autoriteit gevormd moet worden die normen oplegt en handhaaft?

Antwoord 5
De Arbowet- en regelgeving biedt de kaders waarbinnen het gezond en veilig werken met asbest moet plaatsvinden. Het Ministerie van SZW stelt de normen, is voor deze kaders verantwoordelijk en de Inspectie SZW is verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving daar op. Dit toezicht wordt aangevuld met controles vanuit de certificerende instellingen op de certificaathouders. Een onafhankelijke autoriteit bovenop de reeds bestaande, is niet aan de orde.

Vraag 6
Kunt u de mogelijkheid onderzoeken om een onafhankelijke autoriteit op te richten die zelf normen oplegt en handhaaft waardoor een sector ontstaat die enerzijds innovatie kan doorvoeren, maar anderzijds ook rekening houdt met de volksgezondheid?

Antwoord 6
Op dit moment vind ik het niet noodzakelijk om de mogelijkheid voor het oprichten van een onafhankelijke autoriteit te onderzoeken. Enerzijds omdat er door de overheid kaders worden gesteld waarbinnen asbestverwijdering gezond en veilig kan plaatsvinden. Anderzijds omdat ik momenteel bezig ben met de uitvoering van de maatregelen zoals aangekondigd in de beleidsreac- tie. Ik ben van mening dat deze maatregelen bijdragen aan een fundamentele verbetering van het stelsel waarbij aandacht is voor handhaafbaarheid en eenduidigheid van regels en normen, sterkere publieke sturing en ruimte voor innovatie en kostenbeheersing.

Vraag 7
Hoe kijkt u tegen uw recente beslissing aan om de rol van Ascert minder prominent te maken, met de resultaten en conclusies van het onderzoek van Paul Frissen in het achterhoofd?

Antwoord 7
Deze beslissing past mijns inziens binnen de stelselverandering die is ingezet met de overgang naar certificatie onder accreditatie. In het verleden bepaalde SZW in verband met de wettelijk verplichte arbocertificatie wie het schemabe- heer uitvoerde en heeft zij met alle schemabeheerders, en dus ook met Ascert, juridisch niet-bindende convenanten afgesloten. Dit convenant is recent opgezegd naar aanleiding van Europese regelgeving, waardoor alle certificerende instellingen (CI’s) geaccrediteerd moeten zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de CI’s om een schemabeheerder aan te wijzen
voor het schema dat zij uitvoeren. Tot dusver is gebleken dat CI’s op alle terreinen van arbocertificatie gebruik blijven maken van de reeds bestaande schemabeheerders, waaronder Ascert.
Een nadere toelichting over de overgang van certificatie naar accreditatie vindt u in de Kamerbrief van 13 februari 2020.13 In deze brief heb ik u een toelichting op het certificatiestelsel binnen de Arbeidsomstandighedenwet gegeven.

Vraag 8
Kunt u uitleggen welke rol u ziet voor de private beheerstichting Ascert binnen de wettelijk en wetenschappelijk vast te stellen risicoklassen?

Antwoord 8
Op dit moment ben ik bezig met de ontwikkeling van een nieuw instrument voor vaststellen van de risicoklassen (werktitel SMArt-nieuwe stijl). Daarbij hoort ook een herverdeling van de rollen die daarbij spelen. SZW zal finaal zeggenschap hebben over de inhoud van SMArt-nieuwe stijl. TNO adviseert, naast VIP, op het wetenschappelijk vlak. Ascert heeft op dat moment geen rol meer in of invloed op de inhoud van SMArt. Ascert heeft dan alleen een rol in het beheer.
Tot dit moment is – nu het VIP geopend is – er ook behoefte aan een duidelijke route voor het verwerken van VIP-adviezen in het huidige SMArt. Daartoe heb ik een convenant gesloten met Ascert als huidig beheerder van SMArt. In dit convenant wordt geregeld dat Ascert in opdracht van SZW SMArt aanpast als gevolg van een door het VIP uitgebracht advies14. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de nader gewijzigde motie Stoffer/ Von Martels15.

 

Vraag 9
Kunt u aangeven of de drie Certificerende Instellingen (CI) reeds zijn begonnen met de actualisatie van het Certificatieschema voor de Procescerti- ficaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hiervan inhoudelijk op de hoogte gesteld?

Antwoord 9
Een certificatieschema dient tot stand te komen in samenspraak met alle betrokken partijen, waaronder CI’s die actief zijn op het terrein van bedrijfs- en persoonscertificaten. Het bespreken van mogelijke verbeteringen of aanpassingen in het certificatieschema is een continu proces. Als er meerdere certificerende instellingen zijn, moet gezamenlijk overleg ertoe leiden dat alle betrokken instellingen de certificatie-eisen op dezelfde wijze interpreteren en indien nodig gezamenlijk aanpassingen van het certificatieschema voorberei- den. Er is altijd slechts één certificatieschema dat geldig is binnen een wettelijke certificatieverplichting. Dit is noodzakelijk omdat er anders voor het voldoen aan een wettelijke verplichting meerdere en mogelijk zelfs tegenstrij- dige eisen zouden bestaan.
Een onderhanden wijziging van het asbestprocesschema, waar de afgelopen twee jaar aan is gewerkt, is door de schemabeheerder aan SZW aangeboden. Het nieuwe schema zal naar verwachting rond deze zomer voor publicatie aan de Staatscourant worden aangeboden.
Mij is op dit moment geen verdere actualisatie door de 3 CI’s bekend. Wel wordt door mij een wijziging voorbereid waarbij de eisen over werkwijzen en emissiebeheersing uit de schema’s worden gehaald en een plek zullen krijgen in arboregelgeving of handhavingsrichtlijnen. Dit betreft uitvoer van een van de maatregelen uit mijn beleidsreactie over het functioneren van het stelsel.

Vraag 10
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Externe Veiligheid op 10 juni 2020?

Antwoord 10
Dat is helaas niet gelukt. Daarbij merk ik op dat u het Algemeen Overleg over Externe Veiligheid voert met mijn collega bewindspersoon staatssecretaris Van Veldhoven van het ministerie van IenW die verantwoordelijk is voor het dossier asbest in de leefomgeving. Voor het gezond en veilig werken met asbest is het ministerie van SZW beleidsmatig verantwoordelijk. Voor een uitgebreidere toelichting op deze rolverdeling verwijs ik u naar de Kamerbrief die u op 11 mei van dit jaar van staatssecretaris Van Veldhoven heeft ontvangen.16

  1. 1 Volkskrant, 14 mei 2020 «Samenwerking bij verwijderen asbest loopt vast, «overheid moet ingrijpen»«. (https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/samenwerking-bij-verwijderen- asbest-loopt-vast-overheid-moet-ingrijpen~b3d09cc7/)

  2. 2 Paul Frissen e.a., Het Asbeststelsel: Gevangen door belangen?, NSOB, april 2020; https:// www.nsob.nl/denktank/overzicht-van-publicaties/het-asbeststelsel-gevangen-door-belangen

  3. 3 Kamerstuk 25 834, nr. 166.

  4. 4 Kamerstuk 25 834, nr. 166

  5. 5 Kamerstuk 25 834, nr. 150

  6. Kamerstuk 25 834, nr. 166.

  7. Kamerstuk 35 300 XV, nr. 89.

  8. Kamerstuk 25 834, nr. 170

  9. Kamerstuk 25 834 nr. 160

  10. Kamerstuk 35 300 XV, nr. 74.

  11. Kamerstuk 25 834, nr. 160.

  12. Kamerstuk 25 834, nr. 170

  1. 13 Kamerstuk 29 304, nr. 8

  2. 14 Kamerstuk 25 834, nr. 170

  3. 15 Kamerstuk 35 300-XV, nr. 89, 19 december 2019

16 Kamerstuk 25 834, nr. 169

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, Aanhangsel 4


Indiener

Tamara van Ark (VVD)


Gericht

Maurits von Martels (CDA)

René Peters (CDA)


Access ( 15574 )

Publicatiedatum
15 Juni 2020




Gerelateerd

© 2017-2021 Tweedemonitor

Contact: Info [at] tweedemonitor.nl