Tweedemonitor / Kamervraag / Antwoord op vragen van de leden Kuiken en Sneller over de vergoedingen van de inrichting van de privévertrekken van paleis Huis ten Bosch



Antwoord op vragen van de leden Kuiken en Sneller over de vergoedingen van de inrichting van de privévertrekken van paleis Huis ten Bosch

Keywords:
Zaaknummer: 2020D23738

Hierbij bied ik u, mede namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, antwoorden aan op de vragen van de leden Kuiken (PvdA) en Sneller (D66) aan de minister-president over de vergoedingen van de inrichting van de privévertrekken van paleis Huis ten Bosch, d.d. 25 mei 2020, kenmerk: 2020Z09277

DE MINISTER-PRESIDENT,
Minister van Algemene Zaken,





Mark Rutte

 

2020Z09277 (ingezonden 25 mei 2020)

Vragen van de leden Kuiken (PvdA) en Sneller (D66) aan de minister-president over de vergoedingen van de inrichting van de privévertrekken van paleis Huis ten Bosch.

  1. Kent u het bericht 'Koning betaalde niet voor inrichting privévertrekken Huis ten Bosch' 1)?

Antwoord

Ja.

  1. Kunt u openheid geven over de wijze waarop de vergoedingen van de privévertrekken van Huis ten Bosch zijn verrekend?

Antwoord

Ja. In artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) is bepaald dat ten laste van het Rijk aan de Koning de drie daarin genoemde paleizen tot gebruik ter beschikking worden gesteld. De paleizen zijn rijkseigendom en worden ter beschikking gesteld aan de Koning. Het is de verantwoordelijkheid van de Staat ervoor te zorgen dat deze paleizen gebruiksklaar zijn, afgestemd op het gebruik. Het gaat hierbij om zowel de bouwkundige staat als de stoffering en inrichting (Kamerstukken II 2014/15, 34000 XVIII, nr. 22). Daarbij geldt dat paleis Huis ten Bosch kan worden beschouwd als de ambtswoning van de Koning. De gehele renovatie is betaald door de rijksoverheid, waarbij, zoals te doen gebruikelijk is, de gebruiker is betrokken bij de wijze waarop de renovatie plaatsvindt, met name ten aanzien van afwerking en inrichting, voor zover deze samenhangt met de renovatie.

In de rijksbegroting 2015 van Wonen en Rijksdienst is door de minister voor Wonen en Rijksdienst melding gemaakt van de noodzaak tot renovatie van paleis Huis ten Bosch (Kamerstukken II 2014-2015, 34000 XVIII, nr. 1, p.77). In zijn brief van 19 juni 2015 (Kamerstukken II 2014-2015, 34000 XVIII, nr. 22) is uiteengezet op welke gronden gekozen is voor een algehele renovatie en welke kosten hiermee naar verwachting gemoeid zouden zijn. In deze brief is opgenomen hoe op hoofdlijnen de verdeling van de kosten voor de renovatie was voorzien (inclusief basisinrichting van het paleis, en de scheiding van wonen en werken en modernisering van de woonfunctie) (Kamerstukken II 2014/15, 34000 XVIII, nr. 22, p. 2-3). Eveneens heeft de minister in deze brief uiteengezet dat bij de renovatie is uitgegaan van een kwaliteitsniveau dat adequaat en comfortabel is, vergelijkbaar met de werk- en vergaderruimten bij de ministeries waar de bewindspersonen gebruik van maken. Indien de Koning aanvullende wensen heeft die dit kwaliteitsniveau overstijgen, zal de Koning de kosten zelf dragen (Kamerstukken II 2014/15, 34000 XVIII, nr. 22, p. 4).

Op 13 november 2017 heeft de staatssecretaris van BZK in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat er meerkosten van € 4,1 miljoen, waarvan € 1,1 miljoen als gevolg van prijsindexatie en € 3 miljoen als gevolg van meerkosten door tegenvallers tijdens het project te verwachten zijn. Hiermee is de begroting voor de renovatie bijgesteld naar 63,1 miljoen euro. In de jaarverslagen van het ministerie van BZK en de Koning is opgenomen dat de kosten van de renovatie binnen de financiële kaders zijn gebleven (Kamerstukken II 2019-2020 35 470-I, nr.1). Tot slot is de renovatie van Huis ten Bosch in de Tweede Kamer aan de orde geweest bij de behandeling van de begrotingen van de Koning en van Algemene Zaken op 19 december 2017.

In mijn brief van 14 oktober 2019 (Kamerstukken II, 2019-2020, 35300 I, nr. 5) ben ik ingegaan op de historische context van de inrichting van de door de Staat ter beschikking gestelde paleizen. Het eigenaarsonderhoud van het meubilair van de Staat in de wettelijk ter beschikking gestelde paleizen wordt bekostigd uit de begroting van BZK uit de middelen van het Rijksvastgoedbedrijf (art. 9.1). Het gebruikersonderhoud van het meubilair van de Staat in de ter beschikking gestelde paleizen wordt nu, overeenkomstig art. 3 van de Wet financieel statuut Koninklijk Huis, bekostigd uit artikel 2 van begrotingshoofdstuk I. Hiernaast heeft de Koning zelf bijgedragen aan de inrichting van de privévertrekken in paleis Huis ten Bosch. Hierop kan ik, gelet op artikel 41 Grondwet en om redenen van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, niet nader ingaan.

  1. Deelt u de mening dat schimmigheid over deze vergoedingen niet nodig en ook onnodig schadelijk is voor het aanzien van ons Koninklijk huis?

Antwoord

Nee, er is geen sprake van schimmigheid.

  1. Welke maatregelen gaat u nemen om dergelijke schimmigheid in de toekomst te voorkomen?

Antwoord

Geen, er is geen sprake van schimmigheid.

  1. Bent u bereid de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer over te nemen om elke 5 jaar de zogenoemde B-component van de Koning te evalueren en zo transparantie te betrachten en schade te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De B-component (niet-declarabele component) is een onderdeel van de grondwettelijke uitkering aan leden van het Koninklijk Huis op artikel 1 van de begroting van de Koning. De B-component wordt gewijzigd door de wettelijke indexatie. De tussen 1973 en 2008 bestaande A-component en B-component kregen door de diverse feitelijke ontwikkelingen waarbij bijvoorbeeld bepaalde kostensoorten bij de declarabele uitgaven verdwenen (telefonie) en nieuwe ontstonden (ICT), het karakter van een ‘lump sum’. Bij de aanpassing van de WFSKH in 2008 is dit expliciet gemaakt door het samenvoegen van de ‘oude’ A-component en B-component tot de huidige B-component voor niet-declarabele uitgaven voor personeel en materieel. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat er voldoende ruimte is voor het opvangen van nieuwe ontwikkelingen.

Hierbij is verder artikel 41 van de Grondwet van belang. Dit artikel waarborgt de ruimte die de Koning heeft voor de inrichting van zijn Huis, met inachtneming van het openbaar belang. De minister-president draagt hiervoor de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarnaast is er binnen het ministerie van Algemene Zaken een interne administratieve organisatie en control framework voor de begroting van de Koning ingericht. In dit framework is vastgelegd hoe de controle op de uitgaven van de begroting van de Koning is ingericht. In dit framework zijn verschillende rollen belegd in de controle achtereenvolgens voor de interne controle bij de thesaurier van de Koning en de externe accountant van de Dienst van het Koninklijk Huis en voor de externe controle bij de directie Financieel-Economische Zaken van het ministerie van Algemene Zaken, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer. In dit framework is ook de ‘brengplicht’ vastgelegd van de thesaurier. De externe accountant van de Dienst van het Koninklijk Huis controleert jaarlijks of de verhouding tussen de B-component en de functioneel declarabele kosten in acht is genomen. Uit de review hierop van de Algemene Rekenkamer is gebleken dat deze verhouding in acht is genomen.

1) NRC, "Koning betaalde niet voor inrichting privévertrekken Huis ten Bosch", 21 mei 2020

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/21/koning-betaalde-niet-voor-inrichting-privevertrekken-huis-ten-boscha4000393


Indiener

Mark Rutte (VVD)

Kajsa Ollongren (D66)


Gericht

Attje Kuiken (PvdA)

Joost Sneller (D66)


Access ( 15557 )

Publicatiedatum
12 Juni 2020




Gerelateerd

© 2017-2021 Tweedemonitor

Contact: Info [at] tweedemonitor.nl