Tweedemonitor / Kamervraag / Antwoord op vragen van de leden Slootweg en Rog over de maatschappelijke diensttijd en de status van het diplomasupplement na het vervullen hiervan



Antwoord op vragen van de leden Slootweg en Rog over de maatschappelijke diensttijd en de status van het diplomasupplement na het vervullen hiervan

Keywords:
Zaaknummer: 2018D58598

Antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Slootweg (CDA) en Rog (CDA) over de maatschappelijke diensttijd en de status van het diplomasupplement na het vervullen hiervan. (2018Z21304)

1

Hoe verhoudt zich uw reactie tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2019 dat “er een risico ontstaat op een voorkeursbehandeling voor jongeren die de maatschappelijke diensttijd hebben vervuld” met het regeerakkoord dat spreekt over “een pre voor jongeren die solliciteren bij de overheid die hun maatschappelijke diensttijd hebben vervuld”? 1)

Antwoord 1:
In mijn reactie heb ik aangegeven dat het van belang is om tot een vorm van waardering te komen voor jongeren die een maatschappelijke diensttijd hebben gedaan. Dat is ook de opdracht die het kabinet zichzelf in het regeerakkoord heeft gesteld. Hoe die vorm er het beste uit kan komen te zien, is onderdeel van het grotere ontwerpproces van de diensttijd. Stap één is het ontwerp van een betekenisvolle diensttijd, stap twee is de vorm van waardering die de overheid en andere partijen daaraan geven. Ik vind het op dit moment te vroeg om aan te geven hoe deze waardering een goede invulling kan krijgen door de overheid vanuit het werkgeversperspectief. Van belang daarbij is in elk geval dat de overheid blijft streven om een brede afspiegeling van de maatschappij te vormen. Het doen van een maatschappelijke diensttijd moet in die zin niet tot voorkeursbehandeling of beperking van diversiteit leiden.

In het algemeen wil ik graag benadrukken dat ik veel waarde hecht aan de gekozen werkwijze voor het ontwerp van de maatschappelijke diensttijd. Zoals ik in mijn eerdere brieven over dit onderwerp heb aangegeven, is het voor het succesvol uitwerken van de diensttijd essentieel dat onze partners - jongeren, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden - de ruimte krijgen om aan te geven wat wel en niet werkt. Hun inzichten zijn van doorslaggevend belang. Ik kan omwille van deze werkwijze niet vooruitlopen op specifieke onderdelen van de diensttijd, zonder dat we eerst met elkaar hebben onderzocht en bepaald hoe we tot een goede, betekenisvolle inrichting van de diensttijd komen.

2

Hoe staat het met de uitwerking van een diplomasupplement als getuigschrift van maatschappelijke betrokkenheid en met ingang van wanneer ontvangen jongeren die de maatschappelijke diensttijd hebben vervuld het diplomasupplement als getuigschrift?

Antwoord 2:
Ook dit is onderdeel van de bredere uitwerking van de maatschappelijke diensttijd. Jongeren geven aan dat zij het opdoen van nieuwe vaardigheden en de erkenning van die vaardigheden via een certificaat zeer waardevol te vinden. Voor een certificaat is herkenbaarheid en de maatschappelijke waarde die eraan wordt toegekend van groot belang. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden, zoals een plusdocument bij het diploma, de erkenning van elders verworven competenties of bijvoorbeeld vormen van praktijkverklaringen. Ik wil wel voorkomen dat de term diplomasupplement zonder meer suggereert dat de diensttijd verbonden is aan het onderwijs. Met de maatschappelijke diensttijd richt het kabinet zich in principe op álle jongeren, dus ook de jongeren die niet in opleiding zijn of die een opleiding volgen die niet resulteert in een diploma.

Overigens wordt binnen een aantal proeftuinen geëxperimenteerd met vormen van certificering.

3

Per wanneer geldt dit getuigschrift als pre wanneer jongeren solliciteren naar een functie bij de overheid en welke overheidsinstanties zullen hier aan mee doen?

Antwoord 3:

Zie het antwoord op vraag 1.

4

Wordt het diplomasupplement al als pre meegenomen bij de selectie van kandidaten of is het pas een pre bij gelijke geschiktheid van kandidaten?

Antwoord 4:

Zie het antwoord op vraag 1.

5

Bent u bekend met de ‘award of excellence’-certificaat, die jongeren in Engeland kunnen verdienen bij maatschappelijke inzet, waar zowel de overheid als 50 toonaangevende werkgevers in Engeland aan verbonden zijn? Gaat u bij de beleidsverkenning van het diplomasupplement kijken naar deze ‘award of excellence’-certificaten? Hoe zien de afspraken eruit die u met het bedrijfsleven maakt zodat het diplomasupplement voor jongeren als pre geldt? En bent u bereid zich daarbij te laten inspireren door deze aanpak?

Antwoord 5:

Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 2 aangaf, zijn er veel interessante vormen van certificering, zowel in Nederland als in het buitenland. Zo is in Nederland het bedrijfsleven betrokken bij de ontwikkeling van praktijkverklaringen. Hierdoor ontstaat de noodzakelijke maatschappelijke waarde die een certificaat moet vertegenwoordigen om als passende beloning te gelden. Bij het uitwerken van de meest geschikte vorm van certificering laat ik mij door al deze voorbeelden inspireren.

6

Welke initiatieven heeft u genomen om proeftuinen in te richten bij Defensie en in het Onderwijs? Zo ja, wat was daarop het antwoord? Zo nee, waarom niet, gezien het gegeven dat men bij Defensie ervaring heeft met het opleiden van jongeren en het Onderwijs ervaring heeft met de maatschappelijke stage?

Antwoord 6:

Beide sectoren zijn vanaf de start betrokken bij de inrichting van de proeftuinen, onder andere door deelname vanuit de departementen aan de ambtelijke interdepartementale werkgroep Maatschappelijke diensttijd. Het is uiteindelijk aan de organisaties zelf om een proeftuin te ontwikkelen en voor honorering voor te dragen. Dat leidt overigens niet in alle gevallen ook tot honorering van de voorstellen. Deze worden door onder meer door een jongerenpanel en een programmacommissie beoordeeld op passendheid binnen de criteria van de maatschappelijke diensttijd. In de sector onderwijs heeft het actieprogramma van ZonMw geleid tot deelname en betrokkenheid bij meerdere proeftuinen, verspreid over verschillende onderwijstypen. De resultaten uit deze proeftuinen delen we breder in de verschillende sectoren, zodat we de betrokkenheid verder verbreden.

7

Deelt u de veronderstelling dat de Onderwijssector ook een belangrijke bijdrage kan leveren aan de maatschappelijke diensttijd door dit de combineren met lessen burgerschap, die volgens het regeerakkoord ook extra aandacht verdient? Bent u bereid aan te dringen op ruimere deelname van sectoren, zoals Defensie en Onderwijs, aan de proeftuinen van de maatschappelijke diensttijd? Zo ja, binnen welke termijn wilt u dit voor elkaar krijgen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7:

Zoals ook door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is aangegeven bij de begrotingsbehandeling 2019 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, is die betrokkenheid bij de maatschappelijke diensttijd zeer gewenst en krijgt deze, zoals ik in mijn vorige antwoord al aangaf, gelukkig ook al vorm via de proeftuinen. Dat is een goede eerste stap, die ik via de lopende contacten met deze sectoren verder hoop uit te breiden. Langs deze weg wil ik ook, samen met Defensie, invulling geven aan de motie die oproept om ruimte te creëren voor de maatschappelijke diensttijd bij Defensie.

8

Op welke wijze heeft u bij de ontwikkeling en inrichting van de maatschappelijke diensttijd ervaring opgedaan van het Europees Solidariteitskorps, met name op het punt dat bij het Europees Solidariteitskorps “stages en banen op solidariteitsgerelateerde gebieden jongeren extra kansen bieden op de arbeidsmarkt (rechtskader Europees Solidariteitskorps (COM) 2017 262)”

Antwoord 8:
Op 27 september 2018 heeft de Europese Raad een verordening over het Europees Solidariteitskorps (ESK) aangenomen. Deze nieuwe verordening biedt jonge Europeanen de kans om bij te dragen tot de ontwikkeling van Europa door deel te nemen aan een aantal activiteiten die de samenleving als geheel ten goede moeten komen. Er wordt een breed scala van activiteiten voorgesteld, waaronder vrijwilligerswerk, stages, banen en door jongeren geleide solidariteitsprojecten. De relevante ervaringen die binnen het ESK worden opgedaan zullen worden betrokken bij de ontwikkeling en inrichting van de maatschappelijke diensttijd.

9

Hoe staat het met de ambitie uit het regeerakkoord om bij vroegtijdige schoolverlaten een meer verplichtend karakter van de maatschappelijke diensttijd te realiseren?

Antwoord 9:

Dit is geen doel op zich, het regeerakkoord spreekt immers van een vrijwillige diensttijd. De ambitie om een meer verplichtend karakter van de diensttijd te verkennen is direct verbonden aan het regeerakkoordvoornemen om de kwalificatieplicht te verlengen van 18 naar 21 jaar. Dat is een complex dossier, waarvoor het primaat bij collega Van Engelshoven ligt. Wij hebben hierover onderling goed contact. Wel heb ik in dit kader aan uw Kamer toegezegd om in de tweede call expliciet ruimte te bieden voor initiatieven die willen experimenteren met meer verplichtende varianten van de diensttijd. Hierdoor kunnen we alvast ervaring opdoen met het succesvol inrichten van de diensttijd voor de groep jongvolwassenen zonder startkwalificatie om de verlengde kwalificatieplicht te ondersteunen.

1) Schriftelijke beantwoording vragen begrotingsbehandeling VWS begroting 2019


Indiener

Paul Blokhuis (CU)


Gericht

Evert Jan Slootweg (CDA)

Michel Rog (CDA)


descriptionAccess ( 6434 )

Publicatiedatum
6 December 2018



Gerelateerd

De maatschappelijke diensttijd en de status van het diplomasupplement na het vervullen hiervan

Een toeslag vanwege samenvallende diensttijd voor gepensioneerden bij het ABP

Het bericht dat ANBI’s belastingregels niet naleven

Het bericht ‘Leren actievoeren kan ook als maatschappelijke dienst’

Het bericht ‘Bijna één op drie ziekenhuisvacatures moeilijk te vervullen’

Het voornemen van de Staatssecretaris tot ondertekenen namens de Nederlandse regering van het Global Compact for Migration (“Marrakesh Immigratiepact”)

Intimidatie van toezichthouders door de vee- en vleessector

Een gepland optreden van de Nederlandse ambassadeur in Israël op een conferentie van NGO Monitor

© 2017-2020 Tweedemonitor

Contact: Info [at] tweedemonitor.nl