Tweedemonitor / Kamervraag / Antwoord op vragen van het lid Ronnes over het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’



Antwoord op vragen van het lid Ronnes over het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’

Keywords:
Zaaknummer: 2018D49653

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door het lid Ronnes (CDA) over het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’. Deze vragen werden ingezonden op 10 oktober 2018, met kenmerk 2018Z17773.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. K.H. Ollongren


2018Z17773

Vraag 1:

Kent u het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’? 1)

Antwoord 1:

Ja.

Vraag 2:

Hoe beoordeelt u het feit dat in Mill een locatie is gekraakt door woonwagenbewoners uit een andere gemeente, als protest tegen het uitsterfbeleid dat de gemeente volgens hen voert op het gebied van woonwagenbewoning?

Antwoord 2:

Woonwagenbewoners mogen gebruik maken van hun recht op demonstratie binnen de geldende wettelijke kaders. Het uitsterfbeleid van woonwagenstandplaatsen zoals enkele gemeenten dat hebben gevoerd in de voorbije jaren staat op gespannen voet met de mensenrechten van woonwagenbewoners. Echter het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, dat ik op 12 juli 2018 aan uw Kamer stuurde, geeft geen grond om het recht in eigen hand te nemen en zonder toestemming of benodigde vergunningen zich te vestigen op standplaatsen. Dit heb ik ook aangegeven in mijn brief van 12 oktober 2018 aan uw Kamer bij de nulmeting van woonwagenstandplaatsen ‘Woonwagenstandplaatsen in Nederland’. In het beleidskader wordt aangegeven dat samenwerking en een goede communicatie van groot belang is voor het vormgeven van het gemeentelijk standplaatsenbeleid. Ik vind dat de huidige acties niet bijdragen aan de door mij gewenste constructieve dialoog tussen de woonwagenbewoners en de gemeente.

Vraag 3:

Deelt u de visie dat het op 12 juli 2018 aangeboden beleidskader voor gemeentelijk standplaatsenbeleid verwarring heeft veroorzaakt bij betrokkenen, nu zij zich beroepen op aanbevelingen uit genoemd beleidskader? Zo ja, bent u bereid een nadere verduidelijking aan betrokkenen te zenden?

Antwoord 3:

De kern van het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid is dat bij de ontwikkeling van het lokale woonbeleid rekening gehouden wordt met de gerechtvaardigde woonbehoefte van woonwagenbewoners om te wonen in een woonwagen. Het beleidskader verduidelijkt de kaders die gelden voor gemeenten bij het vormgeven van het beleid voor woonwagens en standplaatsen in hun gemeente.

Het lokale beleid dient erop gericht te zijn dat op een redelijke termijn het aanbod aan standplaatsen beter is afgestemd met de behoefte er aan.

In het beleidskader wordt de gemeenten aanbevolen om het beleid vorm te geven in overleg met alle betrokkenen. Voor de verdere implementatie zijn gemeenten afhankelijk van meerdere partijen, waaronder de woningcorporaties. Het beleidskader geeft individuele woonwagenbewoners geen recht om illegaal een standplaats in gebruik te nemen, toe te eigenen of illegale activiteiten te ontplooien.

De komende tijd zal ik in gesprek treden met gemeenten en organisaties van woonwagenbewoners, gericht op nadere toelichting van het beleidskader.

Vraag 4:

Deelt u de conclusie dat het innemen van een woonwagenstandplaats altijd binnen het vastgestelde lokale woonbeleid moet passen en dat het innemen van standplaatsen buiten dat beleid ongewenst en onwettig is?

Antwoord 4:

De gemeente is verantwoordelijk voor het vaststellen van het lokale woonbeleid binnen de geldende mensenrechtelijke kaders. Het zich vestigen op een woonwagenlocatie in strijd met dit woonbeleid zonder de noodzakelijke toestemming of vergunning is ongeoorloofd en illegaal.

Vraag 5:

Kunt u aangeven op welke gronden de gemeente of andere instanties handhavend kunnen optreden tegen het op dergelijke wijze kraken van locaties?

Antwoord 5:

Indien de acties van de woonwagenbewoners worden aangemerkt als een demonstratie, kan de burgemeester op basis van de Wet openbare manifestaties ingrijpen indien dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Op basis van deze gronden kan een burgemeester de manifestatie zelfs laten beëindigen.

In situaties waarin woonwagenbewoners zich zonder de nodige toestemming of vergunning op een standplaats vestigen, kan de gemeente handhavend optreden.

Vraag 6:

Welke gemeenten hebben inmiddels bij de vaststelling van het lokale woonbeleid rekening gehouden met de wensen van woonwagenbewoners en binnen welke termijn moeten gemeenten nieuw beleid vaststellen? Mogen gemeenten daarbij regionaal samenwerken en gemeentelijke taken overdragen aan een andere gemeente?

Antwoord 6:

Het beleidskader is op 12 juli 2018 aan de Tweede Kamer gestuurd. Het is nog te vroeg om aan te geven hoeveel gemeenten reeds toepassing hebben gegeven in hun beleid aan de uitgangspunten van het beleidskader. Uiteraard kunnen gemeenten opteren om er regionaal invulling aan te geven en hun woonbeleid onderling af te stemmen. Kern van de zaak is dat er voldoende rekening wordt gehouden met en ruimte wordt gegeven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners.

Vraag 7:

Deelt u de visie dat gemeenten waar behoefte is aan standplaatsen vooralsnog alleen gehouden kunnen worden aan de realisatie van voldoende standplaatsen voor de eigen gemeentelijke behoefte? Zo ja, klopt het dan dat een claim op een woonwagenstandplaats buiten de woongemeente per definitie kansloos is?

Vraag 8:

Deelt u de gedachte dat een gemeente woonwagenbewoners wel mag weren als die bewoners van buiten de betrokken gemeente komen, terwijl de gemeente gezorgd heeft voor voldoende plekken voor woonwagenbewoners uit de eigen gemeente?

Antwoord 7 en 8:

Net als bij andere woningzoekenden kan bij schaarste in de huisvestingsverordening voor een deel van de toewijzingen voorrang worden gegeven aan woningzoekenden met een maatschappelijke of economische binding aan de gemeente. In het beleidskader is aangegeven dat het leven in familieverband een kenmerk is van het woonwagenleven waarmee gemeenten rekening dienen te houden. Dat kan op basis van het criterium maatschappelijke binding. In het kader van vrijheid van vestiging is het niet mogelijk om woningzoekende woonwagenbewoners uit andere gemeenten geheel uit te sluiten.

Indien opgelopen achterstanden wat betreft het aantal standplaatsen zijn ingehaald acht ik het zeer wel mogelijk dat woonwagenbewoners zich melden voor standplaatsen in andere gemeenten dan die waar zij nu woonachtig zijn. Het zou immers vreemd zijn vast te moeten stellen dat een woonwagenbewoner nooit kan verhuizen naar een andere gemeente.

Vraag 9:

Acht u het redelijk en acceptabel als gemeenten toch beleid formuleren dat gericht is op een vermindering van het aantal standplaatsen, als dat de instemming heeft van de betrokken woonwagenbewoners in die gemeente?

Antwoord 9:

Zoals eerder gezegd, is de kern dat het aanbod van standplaatsen in overeenstemming gebracht moet worden met de vraag, net als gemeenten dat beogen inzake de woningbehoefte van overige woningzoekenden. Dat kan in bepaalde gevallen er inderdaad toe leiden dat een gemeente het aantal standplaatsen vermindert of afbouwt indien er ter plaatse minder of geen behoefte meer aan is.

1) https://www.gelderlander.nl/mill-en-st-hubert/kraakactie-in-mill-tegen-uitsterfbeleid-woonwagens~aac63785/

Antwoord op

Het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’ (5 Oktober 2018)
Reactietijd: 11 dagen

Indiener

Kajsa Ollongren (D66)


Gericht

Erik Ronnes (CDA)


Access ( 5582 )

Publicatiedatum
16 Oktober 2018




Gerelateerd

© 2017-2021 Tweedemonitor

Contact: Info [at] tweedemonitor.nl